Concept Energieplan 2019

De adviesraad ondersteunt de ambitieuze en proactieve houding die spreekt uit het energieplan, maar geeft de voorkeur aan een meer realistische invulling aan 'Deventer energieneutraal in 2030'. Zij pleit voor een uitwerking waarin Deventer ruimschoots voldoet aan de opgaves die het klimaatakkoord stelt, binnen een traject dat kwantitatief en kwalitatief haalbaar is.
De scenario's voor de energiemix gaan uit van een te hoge inschatting van de energievraag en een te hoge doelstelling van energieopwekking op eigen grondgebied. Deze dienen nader te worden geanalyseerd.
De Adviesraad onderschrijft dat participatie van burgers, bedrijven en andere organisaties cruciaal is in de energie-en warmtetransitie.

Datum: 2 december 2019
Van: Adviesraad Natuur en Milieu
Aan: College van B&W gemeente Deventer

Het advies


Geacht college,

De Adviesraad Natuur en Milieu is gevraagd te adviseren over het Concept Energieplan Deventer (september 2019). Bij deze brengen wij ons advies uit. Eerder dit jaar hebben wij al advies uitgebracht over de voorganger van dit energieplan (25 juni 2019). Verschillende onderdelen van dit advies zijn ook van toepassing op het nieuwe plan. De belangrijkste daarvan nemen we hier opnieuw op.

Doelen en ambitie

De adviesraad ondersteunt de intentie van het Energieplan om proactief en ambitieus te werken aan de energietransitie in Deventer. We hebben echter twijfels bij de cijfermatige onderbouwing van de doelstelling van 3642TJ duurzaam opgewekte elektriciteit in 2030 (paragraaf 2.4). Deze doelstelling lijkt onrealistisch hoog.
Ook geven wij een andere invulling aan de ambitie 'Deventer energieneutraal in 2030'. De invulling die het plan aan deze ambitie geeft, namelijk dat Deventer "op eigen grondgebied alle energie opwekt die het nodig heeft" achten wij niet haalbaar en ook niet zinvol. Eigen energie opwekken is geen doel op zich. Het streven om energieneutraal te zijn wordt ingegeven door klimaatverandering; het gaat dus om het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen. Dat doel kan ook dichterbij komen door gebruik van duurzame energie die elders is opgewekt, bijvoorbeeld op de Noordzee. We interpreteren de ambitie 'Deventer energieneutraal in 2030' daarom als het streven van Deventer om energievoorziening en –gebruik in 2030 zo klimaatvriendelijk mogelijk in te richten, vergelijkbaar met andere koplopergemeentes in Nederland. Met andere woorden: de adviesraad pleit voor een energieplan dat ambitie paart aan realisme.


In het eerdere advies hebben we een rekenvoorbeeld opgenomen dat ons inziens een meer realistisch beeld geeft van de opgaven waar Deventer voor staat. We hebben dat in iets gewijzigde vorm opnieuw als bijlage toegevoegd. Wij concluderen dat de opgaven van een andere, minder dramatische omvang zijn dan de scenario's in het Energieplan suggereren. Voor het gekozen scenario van 3 extra windturbinesbetekent dit concreet dat de opgave voor zonnepanelen minder groot is. Meer algemeen betekent het dat Deventer als gemeente meer ruimte heeft voor realistische doelen met daarbij passende haalbare maatregelen.


Monitoring met elke 2 jaar een evaluatiemoment van B&W en raad - zoals beschreven in het Energieplan- vinden wij een goede zaak, maar de gemeente zal veel intensievere vormen van monitoring en evaluatie moeten inzetten voor de planning en uitvoering van de verschillende programma's en projecten die bijdragen aan de energietransitie. De wijze van monitoring is afhankelijk van de instrumenten die de gemeente in gaat zetten. Dit instrumentarium is nog maar zeer ten dele geconcretiseerd in het Energieplan.


Scenario's en stepping stones


Het is goed dat de energienota ook kwantitatieve doelopgaven en stepping stones presenteert. Zoals hierboven is beargumenteerd, achten wij de hoogte van de opgaven voor de energiemix onrealistisch. Dit advies is niet de plaats om hierop in detail in te gaan; wij pleiten echter voor een herijking van de randvoorwaarden en uitgangspunten met behulp van experts en voorbeelden uit andere koplopergemeentes.

 

Bij verdere concretisering van het energieplan verdienen vervolgens twee aspecten aandacht: 

 

  1. Duidelijke ruimtelijke keuzes. Verdere detaillering en uitwerking is nodig voor de ruimtelijke afwegingen over windturbinesen zonnevelden, met aandacht voor milieueffecten op de directe omgeving. Techniek en kosten zouden daarbij volgend moeten zijn op criteria van inpasbaarheid, draagvlak, kwaliteit van de leefomgeving en natuurbehoud.
  2. Een meer concrete toedeling van opgaven aan overheid, bedrijven, burgerinitiatieven en andere maatschappelijke partners. Hoe worden de doelopgaven toegedeeld aan maatschappelijke partners ('wie staat waar vooraan de bak')? Welke budgetten zijn daarbij beschikbaar? De bijdragen van de verschillende partijen dienen bij voorkeur beschreven te wordenals resultaatverplichtingen.

 

Draagvlaken participatie van burgers en bedrijven


Organisatie van het participatieproces vraagt een pro-actieve, regisserende rol van de gemeente. Waar andere partijen worden uitgenodigd om in te stappen, zouden er duidelijke beleidskaders moeten zijn, die deze partijen ook zekerheid geven over inspanningen en investeringen op langere termijn. Participatie, in dit verband, kent 2 belangrijke aspecten:

 

  • Het optimaliseren van de inbreng van burgers, bedrijven en andere maatschappelijke partners(procesmatige participatie);
  • Het scheppen van gunstige condities voor financiële participatie van burgers en organisaties.

 

  1. Voor het optimaliseren van inbreng is duidelijkheid van de gemeente gewenst over het beleid en de voorwaarden die aan initiatieven worden gesteld. Verder is meer aandacht nodig voor communicatie en educatie. Een belangrijk aspect daarvan is dat de gemeente zelf ondubbelzinnig achter haar eigen ambitie staat en haar activiteiten en successen ook duidelijk naar buiten communiceert. Het plan om de stads-etalage voor de komende jaren permanent in te richten voor klimaat en duurzaamheid past goed bij dit punt. Bij communicatie naar verschillende doelgroepen is het belangrijk om aansprekende communicatiekanalen te vinden en voldoende aandacht te geven aan de specifieke belangen ('what's in it for me') van die groepen.
  2. Participatie heeft ook een financiële kant. Wanneer de gemeente maatschappelijke partners uitnodigt om mee te werken aan de energietransitie, bijvoorbeeld voor coordinatie-, communicatie-of monitoringtaken, zal daarvoor budget beschikbaar moeten zijn. Voor de duidelijkheid: dit budget moet niet bestemd worden voor 'hardware' (zoals zonnepanelen) maar dient beschikbaar te zijn voor de beleids-en beheerstaken die deze partners overnemen van de gemeente. Aan dit budget zijn daarbij ook duidelijke eisen verbonden. De adviesraad ondersteunt de wens van de gemeente om energie-en warmteprojecten zodanig in te richten, dat de financiële baten van die projecten terecht komen bij de lokale gemeenschap; niet in de laatste plaats bij diegenen die ook de lasten (bijvoorbeeld hinder, uitzicht) van deze projecten dragen. Dat kan door burgers de mogelijkheid te geven om financieel deel te nemen aan projecten, maar bijvoorbeeld ook door baten van een project voor een deel terug te geven aan de betrokken burgers in de vorm van woningverbetering of buurtvoorzieningen.

Regiegemeente en organisatie


Wij pleiten in dit advies voor een proactieve, regisserende rol van de gemeente. Dit betekent zeker niet de gemeente alles zelf in detail zou moeten sturen of zelf zou moeten uitvoeren - dat kan niet en zou ook niet effectief zijn. Het betekent wel dat de gemeente de leiding neemt en verantwoordelijk is voor het halen van de gestelde doelen.

In het Energieplan is op p. 49 een organisatieschema opgenomen. Daarin komt, terecht, naar voren dat extra ambtelijke capaciteit nodig is voor het realiseren van de verschillende onderdelen van het plan (uitgedrukt in fte's). Gegeven deze gewenste capaciteit lijkt het budget dat beschikbaar wordt gesteld te klein. Bovendien constateren wij dat bij de inzet van deze capaciteit het organiseren van participatie van burgers niet genoemd wordt. Zoals betoogd, is participatie een cruciaal aspect dat tijd en deskundige inzet vraagt van de gemeente.

In het schema is sprake van een regieteam, zonder verdere toelichting. De opgaves die het energieplan meebrengt vragenom een centrale manager die zich volledig op de energietransitie kan richten en daarbij, direct onder de wethouders, beslissingsbevoegdheid heeft over de verschillende betrokken portefeuilles heen. De adviesraad pleit voor zo'n centrale manager, die tevens zicht houdt op de afstemming met omgevingsvisie en omgevingsplan.

Tot slot

Laat er geen misverstand over bestaan: ook met meer realistische doelopgaven zal de transitie grote inspanningen vragen van de gemeente. Tegelijkertijd biedt de transitie ook grote kansen voor bedrijfsleven en bewoners. Met een ambitieus én realistisch beleid kan de gemeente deze kansen optimaal benutten.

Het energiebeleid dat Deventer in de komende jaren realiseert zal grote invloed hebben op de leefwereld van toekomstige Deventenaren. De kritiek in dit advies neemt niet weg dat wij de ambitie die spreekt uit het Energieplan van harte onderschrijven. Wij hopen dat het college en de gemeenteraad hun schouders willen zetten onder een energiebeleid waarover zij met trots aan hun kinderen en kleinkinderen kunnen vertellen. 

Met vriendelijke groet,

namens de Adviesraad,

Kris van Koppen (voorzitter).

Bijlage: Rekenvoorbeeld

Doel van dit rekenvoorbeeld is om een realistischer beeld te geven van de opgaven die de energietransitie meebrengt wat betreft elektriciteit. Het voorbeeld is niet bedoeld als scenario –die taak ligt bij de gemeente – maar als illustratie dat een 'eerlijk' aandeel van de gemeente in de nationale energietransitie goed haalbaar is.

Het Nederlandse klimaatbeleid gaat ervan uit dat in 2030 de totale elektriciteitsvraag circa 432 Petajoule (PJ) bedraagt en dat 70% daarvanduurzaam wordt opgewekt. In het Klimaatakkoord is deze 70% (302 PJ) opgesplitst in 176 PJ 'windenergie op zee’ (41% van het totale elektriciteitsgebruik) en 126 PJ ‘hernieuwbaar op land’ (29% van het totale elektriciteitsgebruik).

Deventer verbruikte in het jaar 2017 1731 Terajoule (TJ). In het rekenvoorbeeldstellen we het toekomstige elektriciteitsverbruik per jaar gelijk aan dat getal. In lijn met het klimaatakkoord zou daarvan dus 70% duurzaam moeten worden opgewekt in 2030; 41% is daarbij windenergie van zee. Op het land dient voor Deventer dan nog 29% te worden geproduceerd, dat is 504 TJ per jaar. Wanneer de opgave op land evenredig onder gemeentes verdeeld wordt, is het dus deze 504 TJ (ofwel 140 GWh) per jaar die binnen de Deventer gemeentegrenzen moet worden opgewekt.

36 TJ wordt thans al jaarlijks gerealiseerd door 2 windturbines en bestaandezonnepanelen. Nodig is dan nog 468 TJ. Dat betekent circa 17 nieuwe windturbines óf 138 ha aan extra zonnepanelen (uitgaande van de opbrengsten die gehanteerd worden in het Energieplan). Het meest realistische is een mix van beide. Bij 3 extra windturbines, zoals gekozen in Energieplan, betekent dat circa114 ha zonnepanelen.

Het gaat uiteraard om een ruwe schatting,die hoger uitvalt wanneer het elektriciteitsverbruik in Deventer stijgt tussen 2017 en 2030, of wanneer Deventer streeft naar een grotere opwek binnen eigen grenzen dan 29% van het totale verbruik. Niettemin moge blijken dat de opgaven waarvoor de gemeente staat van een andere, minder dramatische omvang zijn dan de scenario's in het Energieplan suggereren.