Transitievisie Warmte

De Transitievisie Warmte legt een goede basis voor de warmtetransitie. De Adviesraad geeft adviezen voor de verdere uitwerking. O.a. op het gebied van praktische afweging met reductie van broeikasgassen als toetssteen; verdere uitwerking van infrastructuur (elektriciteit, warmtenetten, gasvoorziening) en van technische, organisatorische en financiële instrumenten waarmee burgers ‘ontzorgd’ kunnen worden en aandacht en middelen voor participatie en leren.

Datum: 18 januari 2021
Van: Adviesraad Natuur en Milieu
Aan: College van B&W1

Het advies

Geacht college,

Hierbij brengen wij het door u gevraagde advies uit over de Transitievisie Warmte (1). De warmtetransitie is een belangrijk onderdeel van de energietransitie, met directe en grote gevolgen voor de woningen en huishoudens van Deventer burgers. Daarom is het van groot belang dat deze transitie zorgvuldig en in transparante samenwerking met betrokkenen wordt voorbereid en uitgevoerd. De Transitievisie Warmte (definitief concept 21-8-2020, met Toelichting 24-11-2020, verder aangeduid als TVW) legt hiervoor een goede en evenwichtigebasis -waarvoor onze waardering- maar behoeft niettemin verdere invulling en aanvulling. In dit advies doen wij hiervoor aanbevelingen.

  1. Ga pragmatisch om met de afkoppeling van aardgas en de verbranding van biomassa. Het is goed dat de gemeente streeft naar aardgasloze verwarming door de inzet all-electric, duurzaam gas, en slimme warmtenetten. Maar het uiteindelijke doel hiervan is vermindering van broeikasgassen, met name van CO2. Het is goed om die doelstelling voor ogen te blijven houden en van ‘aardgasloos’ geen principekwestie te maken. Dat kan onder andere door de resultaten van de aanpak weer te geven in termen van CO2-reductie (met daarbij ook de resultaten na verduurzaming van de elektriciteits-en warmtevoorziening op iets langere termijn). Aardgasvrij is de juiste optie bij nieuwbouwen ingrijpende renovatie, maar voor bestaande oudere huizen en gebouwen hoeft aardgas (naast de inzet van groen gas en waterstof) geen taboe te zijn, zolang de aanpak in zijn geheel resulteert in CO2-reductie. Een pragmatische aanpak kan hopelijk ook iets van de hitte wegnemen in de publieke discussie over aardgas.

    Iets dergelijks geldt ook voor de inzet van biomassa. De TVW constateert dat kappen van bossen ten behoeve van energieopwekking geen duurzame oplossing is; dat is juist, maar daar gaat het hier niet om. Waar het om gaat is het benutten van houtig restmateriaal. Het lijkt erop dat de nota dit uitsluit, terwijl het in specifieke gevallen wel degelijk een zinvolle bijdrage kan leveren. Ook hier pleit de adviesraad voor een pragmatische aanpak, waarin praktisch en concreet wordt onderzocht wat wel en niet bijdraagt aan reductie van broeikasgassen. Als de verbranding van restmateriaal gebeurt in een adequate installatie van voldoende schaalzijn de gezondheidsrisico’s zeer beperkt -te verwaarlozen naast die van houtstookin open haard of houtkachel- en kan het een nuttige, wellicht zelfs onmisbarebijdrage leveren aan de warmtetransitie (2).
  2. Besteed meer aandacht aan infrastructuur en instrumentering. De TVW biedt een nuttig overzicht van warmtevraag en -aanbod. Met de ‘drietrapsraket’ of, duidelijkernog, de 5 keuzelijnen (p. 22) geeft de nota een vuistregel voor de strategie van aanpak en werkt die vervolgens uit voor de verschillende wijken. Daarmee wordt een globaalbeeld geschetst van de te volgen route in de tijd. Dat is zeer nuttig, maar dit beeld is nog niet concreet genoeg om houvast te bieden aan beleidsmakers en bewoners. Dat kan ook nog niet, want daarvoor zijn er te veel onzekerheden en witte plekken.
    Naast vraag en aanbod is infrastructuur een centrale factor die de mogelijkheden bepaalt. Deze infrastructuur –elektriciteit, warmtenetten, gasvoorziening–wordt in de TWV nog weinig concreet. Het verder uitwerken van de infrastructuur is daarom een belangrijke stap. Daarbij is het belangrijk dat geleerd wordt van andere gemeenten en dat de infrastructuur ook op een grotere schaal dan de gemeente Deventer wordt onderzocht en aangepast. Dat kan op RES niveau, in de Regionale Structuur Warmte, zoals de nota aangeeft, maar ook in andere regionale verbanden -bijvoorbeeld de Cleantech-regio als het gaat om afstemming met bedrijven.

    Met instrumentering doelen wij op de technische en financiële middelen die nodig zijn voor de praktische realisering van de warmtetransitie. Ook dit is iets dat in de TVW nog onvoldoende is uitgewerkt. Wie hoofdstuk 8 leest zou de indruk kunnen krijgen dat de rol van de gemeente zich niet verder uitstrekt dan inventariserend onderzoek en het opstellen van de Wijkuitvoeringsplannen. Maar de daadwerkelijke realisatie begint dan pas en vraagt om regelingen voor financiering en een gebundeld aanbod van o.a. technische installatiebedrijven. De gemeente heeft hierin een belangrijke taak, niet alleen bij collectieve warmtevoorzieningen, maar ook voor particulieren en verhuurders. Wij pleiten daarom voor een regisserende en realiserende rol van de gemeente als het gaat om instrumentering. Dat betekent uiteraard niet dat de gemeente alles zelf uitvoert, maar wel dat de gemeente de verantwoordelijkheid neemt om in samenwerkingsverband en de financiële en technische instrumenten te regelen die burgers waar mogelijk kunnen ‘ontzorgen’ in deze ingrijpende transitie. Een potentiële vorm van samenwerkingsverband is een ‘warmteschap’ (3). Het project Transform, genoemd in de TVW, is een veelbelovend financieelen organisatorisch instrument, maar het lijkt erop dat dit initiatief is ingeslapen. Hopelijk kan de gemeente deze schone slaapster weer wakker kussen.

  3. Maak 2 sporen: meters maken met no-regretopties en structurele verandering op langere termijn Gezien de ingrijpende veranderingen die de warmtetransitie vraagt en de onzekerheden die er zijn, gaat het om een lange-termijnproces dat veel afweging en voorbereiding vraagt. Onze aanbeveling is om hiervoor de tijd te nemen en in samenwerking met betrokkenen zorgvuldig de sociale, technische en economische randvoorwaarden te verkennen en uit te werken. Liever een effectieve en breed gedragen realisering op iets langere termijn dan het snel uitrollen van maatregelen die uiteindelijk niet optimaal blijken en weerstand oproepen. Om ondertussen toch meters te maken in het reduceren van CO2 is het nuttig om naast dit lange-termijnspoor ook een korte-termijnspoor op te tuigen, waarin burgers gesteund worden om no-regretmaatregelen te treffen die al onmiddellijk resulteren in energiebesparing. Hierbij denken we aan isolatie (in het verlengde van het al bestaande programma daarvoor) en aan inzet van deskundigen die installaties beter kunnen inregelen. Hiermeezijn op korte termijn aanzienlijke besparingen–en dus CO2-reducties–te realiseren.Bovendien kan dit bijdragen aan bewustwording van burgers en draagvlak voor energiebesparing, mits het aanbrengen van verbeteringen laagdrempelig wordt gemaakt.

  4. Zet in op een lange-termijn, participatief leerproces. Participatie van burgers en gezamenlijke leerprocessen zijn een onmisbaar element van het bovengenoemde lange-termijnspoor. De adviesraad beveelt daarom aan om de WUP’s die als eerste worden gestart (Zandweerd, Oranjekwartier en Ludgeruskwartier en Bathmen) en ook de individuele intiatieven die worden ondersteund, mede te gebruiken en in te richten om te leren. Dat kan door expliciet en op een gestructureerde manier aandacht te besteden aan participatieve leerprocessen: door het inzetten van verschillende werkwijzes en door regelmatig goed te evalueren, samen met betrokkenen, wat de sterke en zwakke punten waren in het projectverloop en daar over samen conclusies te trekken. Door een klein deel van de middelen die beschikbaar zijn voor deze projecten expliciet te bestemmen voor het ontwerp en de evaluatie van leerprocessen, kan de gemeente haar aanpak in het verdere traject verbeteren –en dat geldt uiteraard ook voor andere betrokken partijen. Dit komt dan weer ten goede aan de geloofwaardigheid van de gemeente en het draagvlak onder burgers. De eerder genoemde regisserende rol van de gemeente is ook op dit punt cruciaal.

  5. Betrek de noodzaak van koeling in de warmtetransitie. Zelfs bij een succesvol klimaatbeleid zal het klimaat de komende decennia grilliger en warmer worden, met meer en hevigere hittegolven. Naast verwarming van woningen zal koeling steeds belangrijker worden voor wooncomfort. Massale inzet van airconditioning zou afbreuk doen aan de bereikte CO2-reducties. Koeling wordt terloops genoemd in de TVW, maar nog niet uitgewerkt. Wij bevelen aan om in de planning van de warmtetransitie ook uitdrukkelijk de mogelijkheden van koeling mee te nemen. Bij warmtepompen en isolatie, maar ook bij warmtenetten bestaan daarvoor reële opties (4).

Wij hopen dat deze aanbevelingen kunnen bijdragen aan een succesvolle warmtetransitie in Deventer.

Met vriendelijke groet,

namens de Adviesraad

Kris van Koppen (voorzitter).

Noten

(1) De adviesraad dankt Jan Paul van Soest voor zijn waardevolle inbreng bij het schrijven van dit advies.

(2) De adviesraad volgt hierin het onderzoek van het Planbureau voor de Leefomgeving, 2020, “Beschikbaarheid en toepassingsmogelijkheden van duurzame biomassa”.

(3 )Zie o.a. De Gemeynt, 2020, “Warmtetransitie rond Rotterdam –een koele kijk op hete hangijzers”.

(4) Zie bijoorbeeld www.koelebuurt.nl