Inrichting en groenvisie Steenbrugge

Naar aanleiding van het inrichtingsplan en de groenvisie voor Steenbrugge, adviseert de Adviesraad om een natte en een droge ecologische verbinding te realiseren onder de ontsluitingsweg, om bij de beplanting aandacht te geven aan de behoeften van inheemse planten- en diersoorten, en om de bewoners vroegtijdig te betrekken bij inrichting en beheer.

ADVIESRAAD NATUUR EN MILIEU DEVENTER

Aan: gemeentelijke projectleider Steenbrugge, Arthur Borst

Deventer, 25 november 2016

ADVIES Inrichtingsplan Steenbrugge en Groenvisie Steenbrugge.

Op 16 november heeft de ontwerper van het inrichtingsplan, in aanwezigheid van de projectleiders van de gemeente en de projectontwikkelaar, een presentatie voor een delegatie uit de Adviesraad gegeven over het Inrichtingsplan en de Groenvisie. Vervolgens hebben de aanwezigen uit de Adviesraad deze stukken ook digitaal toegestuurd gekregen. Na de gedachtewisseling bij de presentatie en een nadere bestudering van de plannen, komen wij tot onderstaand advies en aandachtspunten.

1. ECOLOGISCHE RELATIES

De ontsluitingweg van het nieuwe dorp doorsnijdt het Zandweteringpark. Daarmee wordt het park zowel ecologisch als landschappelijk in tweeën geknipt. Het Zandweteringpark is na realisering van het gehele plan Steenbrugge, met naast het huidige bouwplan op termijn nog eens 800 woningen, het enige groene en ecologische element dat Steenbrugge scheidt van de Keizerslanden. Daarom is het belangrijk dat de barrièrewerking van de ontsluitingsweg wordt gemitigeerd door een ecologische verbinding met zowel een natte als een droge component. De natte component is relatief eenvoudig aan te leggen door de overspanning van de brug over de Zandwetering ruimer te maken dan technisch noodzakelijk is. De droge component dient op het hogere deel te worden gerealiseerd door een faunapassage van voldoende omvang met een vormgeving die is afgestemd op de te verwachten doelsoorten. Dit moet bij de aanleg van de weg worden gerealiseerd.

Ecologisch onderzoek en advies over de afmetingen en vormgeving is hiervoor absoluut noodzakelijk. Voor alle duidelijkheid: de nu geplande bomen aan weerszijden van de weg waarvan de kronen elkaar raken is onvoldoende!

2. GROEN IN HET DORP

a). Ecologisch belang van het groen

Het plan is toegespitst op het bereiken van de beoogde beeldkwaliteit. Op dat punt is het plan goed doordacht en zal beslist bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving van de toekomstige bewoners. Er is echter in het geheel geen rekening gehouden met de mogelijkheid om ook dieren een plek te geven in de nieuwe wijk. Dat draagt niet alleen bij aan de duurzaamheid; een wijk met vogels en vlinders is voor de bewoners ook veel aantrekkelijker. Natuur in de stad is al lang geen “groene hobby” meer maar wordt breed gedragen, ook door bestuurders. Het ligt dan ook heel erg voor de hand bij de inrichting van het dorp hier terdege rekening mee te houden. Voor de beplanting gaat het om bloem- en besdragende bomen en struiken. In dat verband is het tevens aan te bevelen meer inheemse soorten te gebruiken dan nu het geval is. Wij adviseren om de soortkeuze zodanig aan te passen dat vogels en vlinders (en andere insecten) een plek krijgen in de wijk.

Voor de gebouwen gaat het om nestgelegenheid te bieden aan gierzwaluwen (gierzwaluwkasten), huiszwaluwen en een soort als de huismus.

Over deze aspecten en de mogelijkheden voor aanpassingen van het plan dient ecologisch advies in te worden gewonnen.

b). Bomen

Bomen zijn de dragers van de gehele groene inrichting. Een uitgekiende soortenkeus met veel afwisseling ligt hieraan ten grondslag. Er doet zich echter een duivels dilemma voor: bomen kunnen schaduw werpen op de zonnecollectoren en dat levert minder vermogen op. Duurzame ruimtelijke inrichting met bomen kan dus conflicteren met een ander duurzaamheidsaspect: zonneenergie. Datzelfde geldt ook voor locaties waar in de toekomst zonnecollectoren geplaatst kunnen worden.

In ons gesprek met de projectleiders in april 2016 werd gesteld dat in dit verband geen bomen hoger dan 6 m geplant zouden kunnen worden. Dat zou betekenen dat de beoogde ruimtelijke kwaliteit niet gehaald zou worden. Tijdens de presentatie op 16 november bleek dat gelukkig toch anders te kunnen door een uitgekiende plaatsing van de bomen. Mocht er toch zo hier en daar schaduwwerking optreden, dan kon er nog wat worden geschoven. Bestudering van het bomenplan werpt toch een ander licht op deze benadering. Van de 22 soorten en cultivars die worden toegepast worden 13 soorten hoger dan 10 m. en vormen een potentiële bron voor schaduw op zonnecollectoren. Het lijkt vrijwel onmogelijk om al deze bomen zo te situeren dat zij geen schaduw werpen op de collectoren en toch bijdragen aan de omgevingskwaliteit. Het probleem van schaduwwerking gaat zich pas na vele jaren voordoen als de bomen een zekere wasdom hebben bereikt. De projectontwikkelaar, ontwerper, huizenbouwer en alle andere die met de bouw te maken hebben gehad, zijn dan allang weg. De bomenbeheerder (gemeente) zit dan met de klachten en de gevolgen. Uiteindelijk leidt dat op lange termijn tot het kappen van bomen en dus het gedeeltelijk vernietigen van de groenstructuur en aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte. Het is zou zeker niet de eerste keer zijn dat bomen sneuvelen vanwege schaduw op zonnecollectoren.

In de Groenvisie wordt op blz. 5 nog de mogelijkheid genoemd om bomen die te groot worden door snoei in hoogte terug te brengen. Dat is de wereld op z’n kop: verkeerde soortkeuze (te hoge boom) corrigeren door snoei waardoor de kroonvorm uiteindelijk ernstig wordt misvormd en de beheerder wordt opgezadeld met hoge kosten die bovendien niet eenmalig zijn: de gesnoeide boom groeit gewoon verder en na een paar jaar kun je opnieuw snoeien tot het moment dat de boom vroegtijdig dood gaat door deze voortdurende “mishandeling”. Wij adviseren zeer dringend om het bomenplan nog eens grondig na te lopen en dan de uiteindelijk boomhoogte bij volle wasdom als criterium te hanteren. Mocht dit leiden tot het schrappen van bomen dan zou de opzet en de kwaliteit van het inrichtingsplan in gevaar kunnen komen.

3. BURGERPARTICIPATIE

Bij de ontwikkeling van de bebouwing van Steenbrugge zijn de toekomstige bewoners destijds niet betrokken. Dat vond de Adviesraad een gemiste kans en dat was zeker geen bijdrage aan de Social Score Card om de duurzaamheid verder in te vullen.

Bij de invulling van het groen (Inrichtingsplan en Groenvisie) kunnen de toekomstige bewoners wel worden betrokken; daarvoor is het niet te laat. Dat zou een goede invulling zijn van de Green Score Card.

Door betrokkenheid van bewoners bereik je dat de bewoners zich niet alleen mede verantwoordelijk gaan voelen voor de openbare ruimte en het groen maar ook dat zij de  hagen gaan onderhouden die op hun grond staan en een wezenlijk onderdeel zijn van de groenstructuur in het dorp. De bewoners zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het in stand van de hagenstructuur. Betrokkenheid van bewoners is een veel betere ingang dan het handhaven van de contracten voor het onderhoud. Als de projectontwikkelaar na een paar jaar vertrekt, ligt het niet voor de hand dat de gemeente dit gaat handhaven.

Tegelijk met de actie om de bewoners te betrekken bij het openbare groen, kunnen de bewoners worden geïnformeerd over de wenselijkheid om hun privé tuinen natuurvriendelijk in te richten als onderdeel van de totale duurzame inrichting van de wijk. Duurzaamheid houdt namelijk niet op bij de scheiding tussen publiek en privé domein. Nieuwe bewoners van een duurzame wijk kunnen best worden aangesproken op hun handelen ten gunste van een duurzame inrichting van hun privé-terrein.

Natuur in de stad en natuurvriendelijke inrichting van tuinen staan al geruime tijd in de belangstelling. Er zijn inmiddels meerdere instellingen die zich bezig houden met advisering over bijv. vogel- en vlindervriendelijke inrichting van tuinen (Vogelbescherming Nederland resp. De Vlinderstichting), maar ook voor andere soortgroepen zijn koepelorganisaties waar kennis en advies beschikbaar is. Bij het communiceren van deze kennis naar bewoners zou de Ulebelt ook een belangrijke rol kunnen spelen.

Wij adviseren om de bewoners niet alleen vroegtijdig te betrekken bij de inrichting van de openbare ruimte maar ook om gelijktijdig deskundigen voorlichting te laten geven over de diverse aspecten van een natuurvriendelijke inrichting van de tuin. Voor alle duidelijkheid: er is voor bewoners voldoende te kiezen: zij kunnen op verschillende aspecten van een natuurvriendelijke tuin de nadruk leggen, al naar gelang hun voorkeur en belangstelling. Daarom is het belangrijk dat verschillende deskundigen iets aan de bewoners komen vertellen: niet hoe het moet, maar hoe het kan.

4. BEGRAAFPLAATS EN CREMATORIUM

De begraafplaats wordt nadrukkelijk betrokken bij de wijk zodat de bewoners er ook gebruik van kunnen maken als wandelgebied. Tussen de nu te ontwikkelen wijk en de begraafplaats / crematorium komt in de toekomst nog enige bebouwing en een niet al te grote overgangszone. Wij vragen nadrukkelijk aandacht voor de inrichting van deze strook in de eindfase als deze ruimte gedeeltelijk wordt bebouwd. Gezien de betrekkelijk geringe omvang, ligt daar een grote ontwerpopgave: hoe geef je vorm aan deze strook. Het ontwerp moet een goed ruimtelijk alternatief bieden voor het feit dat de oorspronkelijke opzet van het crematorium met zichtlijnen over het open landschap, zal verdwijnen. Ook de visuele relatie met de monumentale beplanting van de begraafplaats vraagt aandacht.

5. TIJDELIJK GEBRUIK VAN DE NOG NIET TE BEBOUWEN GRONDEN

Omdat grote delen van de gehele wijk pas worden gebouwd als de woningmarkt daar aanleiding toe geeft, zullen er gedurende meer of minder lange tijd grote stukken grond onbebouwd blijven. Daar moet iets mee gebeuren om illegaal gebruik en verrommeling te voorkomen. Er zijn meer mogelijkheden dan tijdelijk aan de landbouw in gebruik geven: maïsakkers liggen dan op de loer omdat gebruik als grasland voor vee waarschijnlijk niet zo aantrekkelijk is voor boeren vanwege moeilijke bereikbaarheid en versnipperde ligging. Maïsakkers dragen niet bij aan een duurzame uitstraling van de wijk en zeker niet aan de ruimtelijk kwaliteit van de omgeving. Dat moet in ieder geval worden voorkomen.

Tijdelijke natuur is een zeer aan te bevelen optie. De wijk heeft er wat aan (wandel- en struingebied) en het heeft een meer duurzame uitstraling dan het gangbare landbouwkundig gebruik. Extensieve veeteelt met bloemrijke weidelanden met koeien, is ecologisch antrekkelijk (hoger biodiversiteit) en niet duur voor wat betreft inrichting. Feitelijk wordt het beoogde resultaat behaald door een extensieve bedrijfsvoering door de pachter/eigenaar. Voor de bewoners is het visueel aantrekkelijk en het betekent tevens een tijdelijke uitbreiding van de wandelmogelijkheden.

Het is aan te bevelen om voor de mogelijke fasering van tijdelijke natuur, de volgorde van ontwikkeling als woongebied aan te houden. De delen die het laatst zullen worden  ontwikkeld komen het eerst in aanmerking voor tijdelijke natuur omdat er enige ontwikkeltijd beschikbaar is voor de nieuwe natuur, ook al is het maar tijdelijk. Tijdelijk is overigens een rekbaar begrip vooral omdat de tijdelijkheid van de natuur afhankelijk is van een moeilijk voorspelbare woningmarkt.

Als voorbeeld van geslaagde tijdelijke natuur op een redelijk grote oppervlakte verwijzen wij naar het Eeserwold bij Steenwijk. Voor meer informatie over dit project zie www.landschapoverijssel.nl/project-eeserwold

4. SAMENVATTING ADVIES

1. Realiseer zowel een natte als een droge ecologische verbinding onder de ontsluitingsweg via het Zandweteringpark.

2. Soortensamenstelling van de beplanting aanpassen aan de behoefte van vogels, vlinders en andere insecten door bloem- en besdragende soorten toe te passen met een groter aandeel van inheemse soorten.

3. Ook in de gebouwde omgeving nestgelegenheid bieden aan vogels, bijv. voor gierzwaluwen, huiszwaluwen en huismussen.

4. Groenplan zorgvuldig screenen op discrepantie met het belang van een onbelemmerde zoninstraling op de zonnecollectoren, uitgaande van volwassen bomen.

5. Toekomstige bewoners vroegtijdig betrekken bij de inrichting van de openbare ruimte als hun toekomstige leefomgeving met als oogmerk betrokkenheid en (mede)verantwoordelijkheid te kweken.

6. In het verlengde van punt 4, gelijktijdig voorlichting geven aan de toekomstige bewoners over de wenselijkheid en mogelijkheden van een natuurvriendelijke inrichting van hun tuin.

Deskundigen van diverse organisaties met ervaring op het terrein voorlichting moeten dat doen; de Ulebelt kan een rol in spelen in de communicatie van kennis naar de bewoners.

7. Aandacht voor het ontwerp en in richting van de strook tussen de begraafplaats en het crematorium aan de ene kant en de bebouwing aan de andere kant.

8. Geef de gronden die voorlopig nog niet voor woningbouw worden ontwikkeld, de functie van tijdelijke natuur.

Namens de Adviesraad Natuur en Milieu Deventer,

H. Grotenhuis