Advies Contouren-Energieplan (25 juni 2019)

De adviesraad onderschrijft de ambitie van de gemeente die uit deze eerste versie van het energieplan spreekt, maar mist een duidelijk, kwantitatief uitgewerkt tijdpad. Voldoende financiële en procesmatige ruimte is nodig om participatie te realiseren. Ook beveelt de adviesraad aan om een centrale manager aan te wijzen.

Datum: 25 juni 2019

Van: Adviesraad Natuur en Milieu

Aan: College van BenW gemeente Deventer, Carlo Verhaar, c.c. Nicoliene de Vries

 

ADVIES

Geacht college,

De Adviesraad Natuur en Milieu is gevraagd te adviseren over het 'Energieplan Deventer, Leren door te doen'. Bij dezen brengen wij ons advies uit.

Uitgangspunten

De Adviesraad ondersteunt de eerste drie principes waarmee het Energieplan start. Klimaatverandering is een reële en urgente uitdaging en het is de plicht én ambitie van Deventer om bij te dragen aan oplossingen. Deze principes zien we niet zozeer als 'aannames' maar als vaste uitgangspunten voor het Deventer beleid.

Het probleem van investeringen en budgetten dat wordt beschreven in aannames 4 t/m 6 is duidelijk aanwezig, maar mag niet leiden tot een beleid van afwachten tot we weten wie wat betaalt. Een afwachtende houding betekent dat kansen voor bedrijfsinnovaties, burgerinitiatieven en overheidssubsidies zullen worden gemist. De energietransitie zal in de komende jaren een enorme markt openen voor installatiebedrijven, aannemers, bouwbedrijven en adviesbureaus. Denk bijvoorbeeld aan Independent Solar Systems en Solard, twee Deventer bedrijven die zich toeleggen op zonnepanelen, en aan Nefit. Als Deventer samen met haar bedrijfsleven initiatieven neemt – ook in Cleantech Regio-verband - betekent dat een betere uitgangspositie op deze markt.

Dat de gemeente wel leidend is in besluiten, maar niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor resultaten – zoals gesteld in de laatste twee aannames - is ons inziens tegenstrijdig. De gemeente zál verantwoordelijk worden gehouden voor de resultaten. De vraag is vooral of Deventer afwacht tot zij gedwongen wordt vanuit de regionale energiestrategie (RES), of ervoor kiest om zelf het initiatief te nemen. Die laatste keuze is tevens consistent met de eerdere ambitie die de gemeente zich heeft gesteld ten aanzien van de energietransitie. Het gaat er daarbij niet om of energieneutraliteit in 2030 kwantitatief haalbaar is. Wat belangrijk is, is dat de gemeente zelf leiding en initiatief neemt om ambitieus naar een energietransitie toe te werken. Zo kan Deventer zelf sturing en invulling geven aan de klimaatuitdaging, in plaats van wachten tot zij daartoe gedwongen wordt. De adviesraad heeft, zoals gezegd, de overtuiging dat zelf sturing geven uiteindelijk gunstiger is, niet alleen voor het klimaat, maar ook voor de sociale en economische bloei van de gemeente.

Anders geformuleerd: de gemeente staat voor de volgende keuze. Ofwel afwachten wat de RES zal brengen, ófwel actief vormgeven aan de energietransitie (en daarmee tevens voldoen aan de opgaven van de RES). De adviesraad bepleit deze tweede optie.

Op basis van deze uitgangpunten werken wij in dit advies de volgende punten verder uit:

- een energieprogramma in afstemming op het omgevingsplan

- participatie van burgers, bedrijven en andere organisaties

- organisatie van de regie door de gemeente

 

Naar een 'programma energie' in afstemming op omgevingsvisie en omgevingsplan

Zoals ook in haar advies over zonnevelden, pleit de adviesraad voor een integrale energievisie, die concrete doelen en voorwaarden formuleert voor het energiebeleid en die de gemeente tevens helpt bij de voorbereiding van de RES. Zo'n visie zou moeten passen in het traject van omgevingsvisie naar omgevingsplan. Dit kan gestalte krijgen in de vorm van een energieprogramma. In de omgevingsvisie wordt verwezen naar een 'programma duurzaamheid en energietransitie', maar de inhoud daarvan wordt nauwelijks uitgewerkt.

Wij bepleiten een specifiek energieprogramma, dat aan de volgende eisen voldoet:

1. Een cijfermatige onderbouwing en kwantitative doelopgaven. Deze ontbreken in de bestaande nota. De RES-opgave aan gemeentes speelt zich af in twee sectoren: (1) lokale productie van hernieuwbare energie en (2) gebouwde omgeving, waarbij het onder andere gaat om warmtenetten. Voor beide sectoren is het van belang inzichtelijk te maken wat er nodig is, in de vorm van kwantitatieve scenario's, waarin een mix van maatregelen wordt uitgewerkt. Zie de bijlage van dit advies voor een illustratief rekenvoorbeeld wat betreft lokale energieproductie.

2. Duidelijke ruimtelijke keuzes. Maak een concrete inventarisatie waar windturbines en zonnevelden mogelijk zijn (als verdere stap na de studie van Pondera Consult), aan de hand van ruimtelijke en landschappelijke consequenties en met aandacht voor milieueffecten op de directe omgeving. Techniek en kosten zouden daarbij volgend moeten zijn op criteria van inpasbaarheid en draagvlak.

3. Maak een toedeling van opgaven aan overheid, bedrijven, burgerinitiatieven en andere maatschappelijke partners. Hoe worden de doelopgaven toegedeeld aan maatschappelijke partners (wie staat waarvoor aan de bak)? Welke budgetten zijn daarbij beschikbaar?.

4. Beschrijf een duidelijk tijdpad. Dit tijdpad dient concreet te zijn voor deze collegeperiode, en in hoofdlijnen te worden beschreven voor de jaren daarna.

 

Draagvlak en participatie van burgers en bedrijven

In de raadsmededeling 'Concept-Startnotitie RES' stelt de gemeente: "Het primaat voor participatie met inwoners ligt bij de gemeente. Wij organiseren zelf het participatieproces met de eigen inwoners en bedrijven." De adviesraad onderschrijft dit uitgangspunt en heeft waardering voor de initiatieven die de gemeente op dit vlak neemt. Niettemin oordelen wij dat de algemene houding van de gemeente én de gemeenteraad veel te vrijblijvend en afwachtend is geweest. Organisatie van het participatieproces vraagt een pro-actieve, regisserende rol van de gemeente. Waar andere partijen worden uitgenodigd om in te stappen, zouden er duidelijke beleidskaders moeten zijn, die deze partijen ook zekerheid geven over inspanningen en investeringen op langere termijn.

Participatie, in dit verband, kent twee belangrijke aspecten: (1) het optimaliseren van de inbreng van burgers, bedrijven en andere maatschappelijke partners (procesmatige participatie); (2) het scheppen van gunstige condities voor financiële participatie van burgers en organisaties.

1. Voor het optimaliseren van inbreng is duidelijkheid van de gemeente gewenst over het beleid en de voorwaarden die aan initiatieven worden gesteld. Verder is meer aandacht nodig voor communicatie en educatie. Een belangrijk aspect daarvan is dat de gemeente zelf ondubbelzinnig achter haar eigen ambitie staat en haar activiteiten en successen ook duidelijk naar buiten communiceert. Het plan (uit het bestuursakkoord) om de stads-etalage voor de komende jaren permanent in te richten voor klimaat en duurzaamheid past goed bij dit punt. Bij communicatie naar verschillende doelgroepen is het belangrijk om veel aandacht te geven aan de specifieke belangen en problemen van die groepen en voor die doelgroepen aansprekende communicatiekanalen te vinden.

2. Participatie heeft ook een financiële kant. Wanneer de gemeente maatschappelijke partners uitnodigt om mee te werken aan de energietransitie, bijvoorbeeld voor coordinatie-, communicatie- of monitoringtaken, zal daarvoor budget beschikbaar moeten zijn. Voor de duidelijkheid: dit budget moet niet bestemd worden voor 'hardware' (zoals zonnepanelen) maar dient beschikbaar te zijn voor de beleids- en beheerstaken die deze partners overnemen van de gemeente. Aan dit budget zijn daarbij ook duidelijke eisen verbonden. Daarnaast is het van belang dat de gemeente energie- en warmteprojecten zodanig inricht en van voorwaarden voorziet, dat de financiële baten van die projecten terecht komen bij de lokale gemeenschap; niet in de laatste plaats bij diegenen die ook de lasten (bijvoorbeeld hinder, uitzicht) van deze projecten dragen. Dat kan door burgers de mogelijkheid te geven om financieel deel te nemen aan projecten, maar bijvoorbeeld ook door baten van een project voor een deel terug te geven aan de betrokken burgers in de vorm van woningverbetering of buurtvoorzieningen.

 

Regie gemeente en organisatie

Wij pleiten in dit advies voor een proactieve, regisserende rol van de gemeente. Dit betekent zeker niet de gemeente alles zelf in detail zou moeten sturen of zelf zou moeten uitvoeren – dat kan niet en zou ook niet effectief zijn. Het betekent wel dat de gemeente de leiding neemt en verantwoordelijk is voor het halen van de gestelde doelen.

Een dergelijke regierol vraagt om een centrale manager die zich volledig op de energietransitie kan richten en daarbij, direct onder de wethouders, beslissingsbevoegdheid heeft over de verschillende betrokken portefeuilles heen. De adviesraad bepleit dat de gemeente hiervoor budget en een plaats in de organisatie vrijmaakt.

 

Tot slot

In dit advies hebben wij ons geconcentreerd op energieproductie en gebouwde omgeving, zijnde de twee sectoren die centraal staan in de RES. Een pro-actief klimaatbeleid van de gemeente, in lijn met de eerder geformuleerde ambities, kan zich niet tot deze sectoren beperken, maar zal zich ook moeten uitstrekken naar de andere sectoren waarvoor in het gemeentebeleid eerder doelen zijn gesteld: mobiliteit en verduurzaming van bedrijven. We gaan daar niet op in in dit advies, maar benadrukken dat er ook in deze sectoren grote kansen liggen voor een proactief beleid.

Het energiebeleid dat Deventer in de komende jaren gaat realiseren zal grote invloed hebben op de wereld waarin onze toekomstige generaties leven. Wij hopen dat het college en de gemeenteraad hun schouders willen zetten onder een energiebeleid waarover zij met trots aan hun kinderen en kleinkinderen kunnen vertellen.

 

Samengevat:

· wij pleiten voor een proactieve en sturende rol van de gemeente in de energietransitie, omdat deze meer oplevert voor klimaat, economie en draagvlak

· een 'programma energie', met kwantitatieve doelopgaven, duidelijke ruimtelijke keuzes, en een concreet tijdpad, is nodig om deze sturende rol gestalte te geven

· een cruciale succesfactor is participatie van burgers, bedrijven en andere organisaties, zowel procesmatig als financieel

· de energietransitie is een zodanig belangrijk proces dat een centrale manager gewenst is

Met vriendelijke groet,

namens de Adviesraad,

Kris van Koppen

voorzitter

BIJLAGE – REKENVOORBEELD [1]

Over lokale energieproductie doen allerlei verhalen de ronde; één daarvan is dat er wel 90 windturbines nodig zouden zijn om in Deventer de energietransitie te realiseren. In deze bijlage geven wij een rekenvoorbeeld om een realistischer beeld te schetsen. Het voorbeeld is niet bedoeld als scenario – die taak ligt bij de gemeente – maar als illustratie dat een 'eerlijk' aandeel van de gemeente in de nationale energietransitie wel degelijk haalbaar is.

Het Nederlandse klimaatbeleid gaat ervan uit dat in 2030 de totale elektriciteitsvraag circa 120 TWh (TeraWatt-uur) bedraagt en dat 70% daarvan duurzaam wordt opgewekt. In het Ontwerp van het Klimaatakkoord is deze 70% (84 TWh) opgesplitst in 49 TWh ‘windenergie op zee’ (41% van het totale elektriciteitsgebruik) en 35 TWh ‘hernieuwbaar op land’ (29% van het totale elektriciteitsgebruik).

Deventer verbruikte in het jaar 2017 481 GWh (GigaWatt-uur). In het rekenvoorbeeld stellen we het toekomstige elektriciteitsverbruik per jaar gelijk aan dat getal. In lijn met het klimaatakkoord zou daarvan dus 70% duurzaam moeten worden opgewekt in 2030; 41% is daarbij windenergie van zee. Op het land dient voor Deventer dan nog 29% te worden geproduceerd, dat is 140 GWh per jaar. Wanneer de opgave op land evenredig onder gemeentes verdeeld wordt, is het dus deze 140 GWh per jaar die binnen de Deventer gemeentegrenzen moet worden opgewekt.

10 GWh wordt thans al jaarlijks gerealiseerd door 2 windturbines en bestaande zonnepanelen. Nodig is dan nog 130 GWh. Dat betekent circa 13 windturbines óf 260 ha aan extra zonnepanelen. Het meest realistische is een mix van beide, bijvoorbeeld 5 turbines en 160 ha zonnepanelen. Deze 160 ha is daarbij inclusief zonnepanelen die nog op daken kunnen worden gelegd.

Samengevat: een eerlijk aandeel in de energietransitie kan in Deventer, in 2030, bereikt worden met 5 extra windturbines en 160 ha extra zonnepanelen, of een andere mix van beide. Wanneer deze productie lokaal wordt georganiseerd, levert hij bovendien binnen de gemeente nieuwe inkomsten.

[noot 1] Voor de cijfers, zie Ontwerp van het Klimaatakkoord, 21 december 2018, pagina 150, en het Energieplan Deventer, pagina 10. Berekening met dank aan Guido Bakema.